gepubliceerd in Natuuronderzoek, nieuwsbrief van de Amsterdamse Waterleidingduinen, 2005.


vrije bijen in de AWD

Jeroen de Rond, april 2005


Hoewel al duizenden jaren wordt geïmkerd met honingbijen zijn deze insecten nog altijd in staat om op eigen kracht te overleven in onze natuur. In de Amsterdamse Waterleidingduinen blijkt een bijenkolonie al minstens een halve eeuw onafgebroken in enkele abelen te huizen. Nadere bestudering bracht aan het licht dat het een kolonie van de Zwarte honingbij betreft, een ondersoort die in Nederland als uitgestorven werd beschouwd. 


De Westerse honingbij
Met hun streng georganiseerde samenleving en onvoorwaardelijke trouw aan de koningin doen honingbijen eigenlijk wat on-Nederlands aan. Van al onze wilde bijen zijn ze nog het meest verwant aan hommels, iets dat bij voorbeeld nog te zien is aan de afgeplatte, met korfharen omringde achterschenen. Hoewel honingbijen en hommels beiden in volkeren leven die grotendeels bestaan uit werksters, kennen ze toch een aanzienlijk verschil in overwinteringsstrategie. De forse hommelkoninginnen die we in het voorjaar zien en de kleine werksters in de voorzomer vertellen de oplettende natuurliefhebber dat de koningin als enige de winter doorbrengt. In het voorjaar moet ze op eigen kracht een hofhouding grootbrengen die haar later kan assisteren. Bij honingbijen wordt de koningin in de winter omringd door een kluwen werksters die de temperatuur reguleren door te trillen met hun vliegspieren. Dat lukt alleen met de energie uit de honingvoorraad die met veel inspanning in de zomer is aangelegd, een zeer omslachtige manier om een stadium van winterrust te omzeilen.
Aziatische soorten (Apis cerana, Apis dorsata en Apis florea) nestelen gewoonlijk op vrij onbeschutte plaatsen. De raten worden bijvoorbeeld aan boomtakken gehangen of in ondiepe nissen in rotspartijen gebouwd. De Westerse honingbij (Apis mellifera) heeft zich bij de klimatologische omstandigheden van Europa aangepast door bij voorkeur in holtes te nestelen. Hoewel “vrije bijen” (een benaming die door huib Koel bedacht) in warmere streken ook nissen in rotswanden als nestplaats accepteren, hebben holle bomen in de noordelijke delen van Europa hun voorkeur. Hout is in het gematigde Atlantische klimaat volop aanwezig en heeft een aantal gunstige eigenschappen. Het heeft in de winter een uitstekend isolerend vermogen, is relatief makkelijk te bewerken en bevat vaak al voorgevormde holtes met kleine opening.

Ondersoorten
Het verspreidingsgebied van de Westerse honingbij strekt zich uit over Europa, het Midden-Oosten en Afrika. Er zijn op elk continent een aantal ondersoorten te onderscheiden, door imkers gewoonlijk rassen genoemd. In Europa zijn de ondersoorten voornamelijk gescheiden door bergruggen en klimaatzones.
De gele, of Italiaanse honingbij (Apis mellifera ligustica), in de typische vorm herkenbaar aan een oranjegeel gebandeerd achterlijf, is de oorspronkelijke bewoner van het Italiaanse vasteland. De grijze, of  Sloveense honingbij (Apis mellifera carnica), beter bekend als de carnicabij, is vrij donker met brede lichtgrijze viltbanden op het achterlijf. Deze ondersoort stamt uit de noordelijke helft van de Balkan maar is zó populair dat imkers in vrijwel heel West-Europa op haar neigen over te stappen. De in Nederland van oudsher gebruikte honingbijen raken dan ook steeds sterker vermengd met Italiaans en Sloveens bloed.
De Zwarte honingbij (Apis mellifera mellifera) is de noordelijkste ondersoort, herkenbaar aan een donker en gedrongen achterlijf (Fig. 1) dat op de laatste rugplaten vrij lang behaard is. Daarbij hebben de werksters een relatief korte tong in vergelijking met de andere ondersoorten. Het verspreidingsgebied van deze ondersoort strekte zich vóór de twintigste eeuw uit over geheel West- en Noord-Europa van de Pyreneeën tot de Oeral, met de Alpen en Karpaten als zuidelijke grens.

werkster van de Zwarte honingbij (Apis mellifera mellifera)
fig. 1 Een werkster van de Zwarte honingbij Apis mellifera ssp. mellifera gefotografeerd in Bentveld, op 7 km afstand van De Zilk. Vermoedelijk zijn meer wilde volkeren aanwezig in de bossen van dit uitgestrekte natuurgebied. Foto: Huib Koel, 2003.


In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt over honingbijen is Apis mellifera mellifera uitstekend in staat om op eigen kracht in ons klimaat te overleven. Met succes zijn volkeren uitgezet in gebieden binnen de poolcirkel waar ze wisten te overleven na maandenlange strenge vorst. Het in cultuur brengen van hun vroegere leefomgeving en het op efficiënte houtkap afgestemde beheer van bossen zal de belangrijkste reden zijn dat deze boombewoners uit het landschap zijn verdwenen.

Raszuiverheid
De Zwarte honingbij is behalve aan de voornoemde eigenschappen vrij goed te onderscheiden van de andere Europese ondersoorten aan het aderpatroon van de voorvleugels. Vooral de cubitaalindex, de verhouding tussen de aderstukjes van de derde cubitale cel vóór en ná de tweede teruglopende ader is een bruikbaar kenmerk. Figuur 2 toont de rechtervleugel van een werkster uit de AWD. Het quotiënt van afstand A:B is ongeveer 2. De maximum waarde voor A.m.mellifera is echter 1.85, maar A.m.carnica en A.m.ligustica zitten weer ruim boven de 2.5. Na een computeranalyse van deze vleugel verklaarde Dr. Fuchs van het Institut für Bienenkunde in Oberursel (Duitsland) dan ook dat het geen volledig raszuiver dier betrof, maar wel dichter bij A. m. mellifera staat dan bij andere ondersoorten.
Voor een wetenschappelijk onderbouwde uitspraak over de genetische samenstelling van een bijenvolk moeten zeker 20 tot 30 vleugels worden geanalyseerd, maar op het oog is eigenlijk al snel duidelijk of er inmengingen met andere ondersoorten heeft plaatsgevonden. Een snelle inschatting van enkele werksters op kleur, beharing en adering maakte al duidelijk dat de volkeren uit de AWD in twee typen was op te splitsen: voor het grootste deel bijna zuivere Zwarte bijen en een kleiner deel werksters met duidelijke Zuid-Europese invloed, die waarschijnlijk op darren uit de Buckfastvolkeren van plaatselijke imkers terug te voeren is. Buckfastbijen komen voort uit een selectieve teelt met hybriden van ondersoorten uit bijna heel Europa en zijn vaak geel- of rood-gebandeerd vanwege een hoog percentage Italiaans bloed.

vleugel van de Zwarte honingbij (Apis mellifera mellifera)
Fig. 2 Vleugel van een werkster uit het hoogstgelegen nest in de AWD. De aders die bepalend zijn voor de zuiverheid van de ondersoort Apis mellifera mellifera zijn aangegeven met de letters A, B en C. Deze afbeelding werd voor analyse opgestuurd naar Oberursel. Foto: J. de Rond, 2004.


Vermenging van bijenrassen is in dichtbevolkte gebieden lastig te voorkomen. Een koningin kan meerdere malen op bruidsvlucht gaan en vliegt dan tientallen kilometers ver. Per bruidsvlucht paart ze met een aantal mannetjes die op hun beurt ook van verre komen. Hierop is door de imker uiteraard maar weinig invloed uit te oefenen. Om bevruchting door ongewenste darren uit te sluiten zouden tijdens de bruidsvlucht in een omtrek van 30 km geen ongewenste rassen aanwezig mogen zijn.

Vrije vestiging in de AWD
De wilde honingbijen van de AWD hebben zich gevestigd in een klein abelenbos ter hoogte van De Zilk. De bomen zijn vrij fors en hun stammen zijn tot op grote hoogte vrij van zijtakken. In vier van de bomen vliegen bijen in en uit oude wondgaten van afgebroken takjes (Fig. 3). Om een bijenvolk te kunnen huisvesten moet de holte in de boom naar schatting toch wel minstens 20 cm breed zijn en zeker twee tot drie maal zo hoog. Met een stukje ijzerdraad is makkelijk aan te tonen dat bij veel abelen het hout achter afgebroken takjes tot ver in de stam vermolmd is. Mogelijk hebben de bijen deze zwakke plek benut om zelf verder te knagen, maar in vergelijking met echte houtbewoners als behangersbijen (Megachile) zijn de kleine kaken van honingbijen zo goed als ongeschikt voor het zware werk. Het is mogelijk dat deze openingen het werk zijn geweest van spechten, al is dat moeilijk te bewijzen. Volgens imker Sjaak Hoeks, wiens grootvader deze kolonie al kende, zijn in de laatste decennia al enkele van de hem bekende gaten weer dichtgegroeid. Rond de invliegopeningen tekent zich dan ook een verdikking van de bast af waar de bijen waarschijnlijk profijt van hebben in verband met inregenen.

Abeel met honingbijennest
Fig. 3  Het laagstgelegen van vier honingbijennesten in een abelenbos ter hoogte van De Zilk. De invliegopening ligt in de bruinige verdikking rechtsboven. Vaag zijn twee aanvliegende bijen als gele streepjes te zien. Foto: J. de Rond, 2004.




De vier nestopeningen bevonden zich op een hoogte variërend van 3 tot 5 meter en ter plaatse waren de stammen zeker 50 à 60 cm breed (Fig. 4). Eind augustus vlogen er gemiddeld zo’n 10 werksters voor elke nestopening. Bijenvolkeren die in cultuur gehouden worden bestaan in de zomer uit zo’n 40.000 tot 60.000 individuen, maar dat leek voor deze volkjes aan de hoge kant. Amerikaanse schattingen over “feral colonies” in bomen komen uit op 12.000 tot 20.000 exemplaren per volk. Het is ook nog niet duidelijk wat deze, op korte afstand van elkaar gelegen nesten voor relaties onderhouden. Het lijkt erg onwaarschijnlijk dat er sprake zou zijn van één volk dat zich vrijelijk over de vier nesten verdeelt: een koningin zal niet van het ene naar het andere nest forenzen om op alle locaties haar taak te vervullen. Het is dus aannemelijker dat elk nest haar eigen koningin heeft. Aan de andere kant was het uiterlijk van de bijen in de vier nesten bijna gelijk en was er geen spoor van vijandigheid tussen de volkeren te ontdekken. Ook van agressie naar voorbijzwiepende netten of menselijke gedaanten onder de bomen was geen enkele sprake. Voor de reputatie van steeklustig ras hebben de vele kruisingen van de afgelopen eeuw waarschijnlijk gezorgd. Volgens sommigen is het kwaad zelfs al in de Middeleeuwen geschied door verkeerde selectiemethoden.


Jeroen de Rond in de AWD, majorettemethode
Fig. 4  De auteur zwiept zijn sleepnet naar de ingang van het hoogstgelegen nest in de AWD om enige monsters van het volk te nemen. Het net is als groene waas te zien op de plaats waar zich de invliegopening bevindt. Deze methode zal de de geschiedenis ingaan als de “majorettemethode” Het leverde drie werksters op. Foto: H. Koel, 2004.


Bescherming van de Zwarte honingbij
In een aantal landen van West-Europa is men tot het inzicht gekomen dat de Zwarte honingbij een beschermde status verdient. Voornamelijk aan de randen van haar oorspronkelijke verspreidingsgebied zijn nog vrij ongeschonden populaties aanwezig en op het Internet wordt dan ook vurig betoogd om l’Abeille Noire, the Black Bee, die Braune Biene, det Nordiska Biet, etc. te vrijwaren van inmenging met andere rassen. Aangenomen dat zich in de AWD een vrij zuivere populatie van Apis mellifera mellifera ophoudt, kan bescherming op twee manieren worden uitgeoefend. De meest rigoureuze oplossing is alle imkeractiviteiten te verbieden in de duinen, maar aangezien deze liefhebbers doorgaans vrij oude en ongeschreven rechten hebben kan dit tot confrontaties leiden.
Op Læsø, waar voor het eerst in de Europese geschiedenis een verbod op andere bijenrassen werd afgekondigd, bleken de bijenhouders tegen de verdrukking in schijnbaar met dubbele energie illegaal met hybriden te gaan werken, en moet dus een averechts effect geconstateerd worden. Een veel sympathiekere manier om de zuiverheid van de wilde honingbijen in de duinen te beschermen zou het aanbieden van raszuivere koninginnen van A. m. mellifera aan de plaatselijke imkers kunnen zijn. De honingopbrengsten van de Zwarte honingbij zouden geen belemmering moeten vormen: volgens imkerveteraan Kees van Holland leveren Carnica’s met 60 kilo honing per jaar wel drie maal zoveel als de gewone huis-tuin-en-keukenbij, maar Noorse onderzoekers toonden op Groenland aan dat op plaatsen met voldoende voedselaanbod en weinig concurrentie de zuivere Zwarte honingbij tot wel 70 kilo honing per volk kon opbrengen. Bijenhouders uit het noorden van Rusland en Siberië zijn met hun Zwarte bijen altijd de grootste leveranciers op de Europese honingmarkt geweest.

Concurrentie
De vraag of honingbijen concurreren met solitaire wilde bijen is de laatste jaren erg in de belangstelling komen te staan, zeker nadat de Voorlopige atlas van de Nederlandse bijen (Peeters, Raemakers & Smit 1999) aanschouwelijk maakte hoe slecht het met de wilde bijen gesteld was. Over het onderwerp voedselconcurrentie is de laatste jaren redelijk veel gesproken. Helaas zijn reacties uit wetenschappelijke hoek grotendeels terughoudend en geven de meeste onderzoeksresultaten geen doorslaggevend oordeel over de concurrentiepositie van de honingbij ten opzichte van solitaire bijen. Imkers wringen zich op Internetforums in allerlei bochten om te kunnen ontkennen dat hun hobby nadelig zou zijn voor de wilde bijenfauna. Desondanks wil een enkele imker nog wel toegeven dat het verplaatsen van kasten gedurende het seizoen een grote verstoring kan betekenen voor wilde bijen in een natuurlijke biotoop.
De Zwarte honingbij zal als inheemse soort gedurende honderdduizenden jaren binnen de Nederlandse ecosystemen in balans moeten hebben geleefd met andere bijensoorten. Het is moeilijk aan te geven aan welk landschap ze nu eigenlijk écht de voorkeur geeft, maar dat ze zich oorspronkelijk rond bossen heeft opgehouden is vrijwel zeker. Gewoonlijk worden honingbijen geroemd om hun veelzijdigheid, maar de Drentse heidebij toont aan dat specialisatie zich al kan ontwikkelen op beperkte schaal. Het is niet ondenkbaar dat zich in de duinen een ecotype heeft gevormd dat bij voorkeur verzamelt in duinvegetaties en nestelt in de abelen of eiken van duinbossen. Het lijkt er ook op dat onze inheemse honingbij liever wat verder vliegt dan de concurrentie aan te gaan met ondersoorten als A. m. carnica. Wellicht heeft ze zich daardoor met het groeien van het Carnica-aandeel op de waardplanten onbemind heeft gemaakt. Dat zal ook gelden voor hun verhouding tot de solitaire bijen en hoeft een honingbijenvolk geen direct gevaar te vormen voor soorten die strikt afhankelijk zijn van een bepaalde plant. 

Onderzoek
Er is eigenlijk zo weinig bekend over honingbijen die zich in het wild, en bovendien in hun oorspronkelijke habitat ophouden, dat gericht onderzoeken van deze in het populatie geheel nieuwe feiten kan opleveren.
Ten eerste is het interessant om te weten waar de bijen van leven. Wat zijn hun favoriete waardplanten gedurende het jaar en waar staan die? Vliegen er andere insecten op deze planten en hoe verhouden ze zich tot de honingbijen in aantal en gedrag. Het is tevens interessant om hun verhouding tot Carnica’s in de duinen te vergelijken, mits kasten met deze ondersoort niet tijdens de paringstijd in het gebied aanwezig zijn.
Ten tweede moet de dynamiek van de bruidsvlucht en het zwermen goed worden bestudeerd: vliegen alle koninginnen tegelijk uit en waar paren ze? Wat is de invloed van darren uit de omgeving op de samenstelling van het volk en vervolgens op het gedrag van de nakomelingen en de overlevingskansen in de winter? Honingbijen schijnen bewoonde holten te kunnen herkennen aan de geur. Zwermen alle volkeren tegelijk uit en welke vestigen zich dan weer in deze abelen? Hoe zien de raten er eigenlijk van binnen uit en hoeveel exemplaren telt elk volk?
Ten derde willen instituten als het PPO in Wageningen graag onderzoeken of wilde honingbijen zich beter kunnen wapenen tegen ziekten en parasieten waar imkers zoal mee geconfronteerd worden. Vooral de plaag die de Varroamijt op het moment vormt is een speerpunt in het onderzoek van deze dienst. De populatie in de AWD lijkt naar de eerste informele waarnemingen door Huib Koel niet erg onder deze mijten te lijden.

Kortom, er is nog heel veel onbekend, maar het vergt minstens een volledige dagtaak gedurende een aantal jaren om eventueel enkele van deze vragen te kunnen beantwoorden, maar deze zeldzame bijen zijn wat extra aandacht zeker waard.

[aantekening van de auteur 2006: in het voorjaar van 2005 constateerde Huib Koel dat in geen van de nesten op de besproken locatie in de AWD enige activiteit meer te bespeuren was. Kennelijk heeft de intense vorst van begin april 2005 de werksters en het jonge broed verrast op het meest kwetsbare moment van het seizoen.]

Literatuur

Peeters, T.M.J. & Reemer, M. 2003: Bedreigde en verdwenen bijen in Nederland (Apidae s.l.). Basisrapport met voorstel voor de rode lijst. – European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden: 96 pp.

Ruttner, F. 1988:  Biogeography and Taxonomy of Honeybees – Springer Berlin, Heidelberg New York: 284 pp.

Schmiedeknecht, O. 1930: Die Hymenopteren Nord- und Mitteleuropas. – Verlag G. Fischer, Jena: 1062 pp.

Top, Wieb 1997: Honderd jaar imkeren: de geschiedenins van de Vereniging tot Bevordering der Bijenteelt in Nederland 1897-1997 – Uitgave Vereniging tot Bevordering der Bijenteelt in Nederland, Wageningen: 288 pp.

Westrich, P. 1989a: Die Wildbienen Baden-Württembergs I. Allgemeiner Teil. – Ulmer Verlag, Stuttgart: 1-431.

Westrich, P. 1989b: Die Wildbienen Baden-Württembergs I. Spezieller Teil. – Ulmer Verlag, Stuttgart: 432-972.