Selectie uit jaarverslagen 1997-2001, Insectenwerkgroep KNNV regio Lelystad in Lokvogeltje door Jeroen de Rond.


Entomologische ontwikkelingen in Lelystad.

Jeroen de Rond




1997
Op eigen kosten is nieuwe malaiseval gebouwd volgens een ongebruikelijk concept met een vast houten frame. Moeilijker te vervoeren, maar goedkoop, sterk en stabiel.
De val heeft haar diensten bewezen in het Wilgenreservaat, waar we voor het tweede achtereenvolgende jaar hebben geïnventariseerd. Om verschillende redenen werd in de laatste week van augustus besloten de val over te plaatsen naar 't Zand A72, waar ze voor het eerst ook de hele winter door zal blijven staan. Ten eerste was het beeld dat o.a. de angeldragers in het Wilgenreservaat gaven niet veel anders dan in 1996, al hebben we nu een beter zicht op de voorjaarssoorten gekregen. Ten tweede is dit gebied erg moeilijk toegankelijk.
Het plannen van veldaktiviteiten is voor insecten altijd riskant. De op 6 april geplande bijenexcursie viel toevallig samen met schitterende weersomstandigheden, en er werden dan ook veel interessante waarnemingen gedaan: 4 soorten zandbijen, 3 soorten koekoeksbijen, 2 hommelsoorten, de voorjaars-zijdebij en haar nestparasiet. De excursie in het bergbosje op 24 mei, leverde ook veel interessante zaken op. Naast 19 soorten bijen, mieren en wespen werd ook de zwartkop-vuurkever gesignaleerd. Na herhaaldelijk terugkeren gedurende het jaar bleek dit bos minstens 50 inheemse soorten angeldragers te herbergen, waarvan enkele nieuw voor Flevoland. Al met al een stimulans om het niet te ver van huis te zoeken in de toekomst.

1998
In het najaar van 1997 is de malaiseval vanuit het Wilgenreservaat aan de Knardijk/Vogelweg naar 't Zand A72 getransporteerd. Het was deze maal een wat lastige onderneming omdat deze val een zwaar houten frame heeft, bespannen met stug horregaas. Alles is er deze keer aan gedaan om de levensduur te verlengen, en na drie jaar gebruik zijn er nog geen tekenen van verval waar te nemen. De val heeft gedurende een volledig jaar achter het opgeduwde zandvlak gestaan, tussen diverse typen wilgen, riet en een hondsroos.
Het aantal soorten dat met deze opstelling werd verzameld, en vooral ook de hoeveelheid exemplaren viel bijzonder tegen. Het is verleidelijk om hieruit conclusies te trekken over de gekozen standplaats, maar ook elders in Nederland vielen de vangsten tegen. De zomer van 1998 bleek volgens meteorologen een van de somberste van deze eeuw te zijn geweest. Insekten, die sterk reageren op weersinvloeden, lieten zich dan ook amper zien. Er is nog nauwelijks onderzocht wat het effect van dit soort jaren van minimale activiteit is voor de nakomelingen, maar dat is vermoedelijk niet echt positief.
Het zandvlak dat drie jaar geleden werd ontdaan van de dichte grasmat was echt aan hernieuwd opschonen toe. In de stijl van het "gefaseerd maaibeheer" dat voor bloemrijke graslanden wordt gepropageerd door ecologen, is in september naast het oude vlak een nieuw vlak blootgelegd van vergelijkbare grootte. De graafwespen en wilde bijen die behoefte hebben aan open zand krijgen hierdoor nieuwe nestgelegenheid vlak bij de plaats waar ze volgend jaar uit de pop zullen komen. Op deze wijze blijft hopelijk een redelijk constante populatie van soorten in het terrein aanwezig, die waarschijnlijk door incidentele passanten steeds rijker zal worden.
Een nieuwe locatie waar onze activiteiten zich op zullen gaan richten in het komend seizoen is de Burchtkamp. Het zuidelijk deel, tussen de poelen en het instituut voor veevoederonderzoek, is onlangs ontdaan van de kleilaag, zodat het pleistocene zand aan de oppervlakte kwam. Er zijn wat niveaus in het terrein aangebracht waardoor oeverzones en droge hellingen konden ontstaan in zowel los zand als zwaardere zavelgrond. Vooral de komvormige verdieping, die wordt versterkt door de aarden wallen rond het terrein, biedt vanwege de beschutting tegen wind veel kans op kolonies van graafbijen en wespen; diergroepen die na het recent verdwijnen van veel open zandgronden uit het stadium van de inpoldering wel enige steun verdienen.

1999
In het vroege voorjaar heeft Jeroen de bijenstand van diverse terreinen intensief geïnventariseerd. Een opmerkelijke waarneming in 't Zand A72 is een kleine kolonie van Andrena vaga, een flinke, zwart- wit- en grijs-gekleurde zandbij die ongeveer 15 jaar geleden voor het laatst werd waargenomen op de wilgen van de Houtribhoogte.
De resultaten van de malaiseval vielen dit jaar wederom tegen, en het wordt tijd om een geheel andere plaats te zoeken. Inmiddels is het tweede zandvlak dat voor wespen en bijen van begroeïng werd ontdaan, alweer voor éénderde aan het oog onttrokken: naast de ondergrondse wortelstokken van riet, duinriet en heermoes verspreiden canadese fijnstraal, leverkruid en diverse grassen zich in razend tempo. Vermoedelijk werd dit proces aanzienlijk versneld doordat het maaisel van de omringende vegetatie zich overvloedig verspreidde over het naar verhouding kleine zandvlak.
Het terrein waar de werkgroep zich het afgelopen jaar in hoofdzaak op heeft georiënteerd was de zandgroeve tussen de Burchtkamp en de Schothorst. Gedurende een paar maanden in het voorjaar werd hier een val geplaatst, maar aangezien van een volwaardige pioniersvegetatie nog maar nauwelijks sprake is zijn onvoldoende soorten verzameld om op hiervoor terreinbezoek op een wekelijkse basis voort te zetten. De val is weer uit het terrein verwijderd en er zal de komende jaren alleen op warme, zonnige momenten met de hand gevangen en geïnventariseerd worden.
Vóór de ophoging met keileem was de Knardijk één van de rijkste broedplaatsen voor wilde bijen. Sindsdien werden hier alleen nog de meest algemene soorten gevonden. Het plassengebiedje dat enige jaren geleden ten noorden van het Praambos is aangelegd blijkt zich gelukkig te ontwikkelen tot Eldorado voor veel insecten, waaronder ook een aantal soorten minder algemene bijen. De leden van de werkgroep hebben inmiddels contact opgenomen met Staatsbosbeheer over het verrichten van faunistisch onderzoek in dit gebied, eventueel met gebruik van een malaiseval. Gezien de goede bereikbaarheid en de stevige zandbodem is dit ook een ideaal terrein voor insectenexcursies. In het voorjaar zijn al redelijk stabiele populaties bijen aan te wijzen, en in de zomer nestelen een reeks uiteenlopende soorten graafwespen in dezelfde zandige hellingen.

2000
De werkgroep is met de komst van Arjan van der Veen qua ledental weliswaar gegroeid, maar de aanwezige expertise blijft hoofdzakelijk gericht op vliesvleugeligen. Naast bijen, wespen en mieren wordt er binnen de afdeling Lelystad gelukkig ook naar andere insecten gekeken. Vlinders genieten al enige tijd de aandacht van Jeroen Reinhold en ook de libellen worden nu intensief bekeken door Jan Verbraaken. Blijven er nog slechts de springstaarten, eendagsvliegen, sprinkhanen, oorwormen, tripsen, wantsen, cicaden, stofluizen, gaasvliegen, kevers, steeloogjes, kokerjuffers en schorpioenvliegen over. Vertegenwoordigers van al deze orden kom ik bijna wekelijks in de Flevolandse natuur tegen, maar het is voor een gewone sterveling practisch onmogelijk om alles op niveau te bestuderen.
Het gezamenlijke inventarisatieobject van de werkgroepleden was dit jaar de oever van de Keersluisplas (Oostvaardersplassen). De malaiseval uit ’t Zand A72 is in het vroege voorjaar verplaatst naar een verdekt plekje aan de voet van de Knardijk, juist achter de bosschages, niet ver van een klaphek in de afrastering. Aanvankelijk waren we van plan om terug te keren naar het zanddepot aan de Praamweg, waar we ongeveer een decennium geleden ook met een dergelijke val hadden verzameld. Destijds was het gebiedje botanisch volop in ontwikkeling zaten er veel bijzondere zandbewonende graafwespen en bijen. Bij een oriënterend bezoek aan dit zanddepot bleek de eens zo schitterende pioniervegetatie (o.a. bleekgele droogbloem, zandzegge, duinriet, duizendguldenkruid) door toedoen van de semi-natuurlijke veestapel nu eigenlijk meer op een zwaar bemeste en volledig vertrapte circuspiste.
Het alternatief, een rietzoom op zware zavel aan de Knardijk, bleek bij nader inzien geen slechte locatie. In feite stond de val nu in een voor Flevoland veel karakteristieker landschap en werd een vergelijking met de inventarisatieperiode van het wilgenreservaat veel relevanter.
Ondanks een wederom vrij sombere zomer wezen de vangsten op een veel rijkere soortensamenstelling dan die van ’t Zand A72. Een vrij onverwachte vondst was Crossocerus capitosus, een zeldzame graafwesp met een merkwaardige spatelvormige lob aan haar snuit. Ook de hoornaar (Vespa crabro) en de middelste wesp (Dolichovespula media) waren weer aanwezig. Ook uit de hoek van vliegendeskundigen, die op dit moment nog materiaal doornemen, kreeg ik al te horen dat de Oostvaardersplassen een zéér belangrijke vindplaats blijken te zijn voor de kleine zweefvlieg Neoascia interrupta.
Verder zijn nog enkele zaken, die ik tijdens mijn bezoekjes aan natuurterreinen rondom lelystad aantrof, het vermelden waard: De zandruigte achter de IJsselmeerdijk tegenover de Flevocentrale; voor zover mij bekend de enige vaste verblijfplaats van een populatie bosmieren (Formica cunicularia) in Lelystad, bleek deze zomer volledig verwoest te zijn voor uitbreiding van het distributienetwerk van de NUON. Als positieve noot kan ik melden dat op 30 juni een mannetje van de pluimvoetbij (Dasypoda hirtipes) op melkdistel zat in het nieuwe zandterrein aan de zuidrand van de Burchtkamp. Dat is naar mijn weten de allereerste Flevolandse waarneming van deze fraaie graafbij die voornamelijk bekend is uit de duinen en van de hooggelegen zandgronden.

2001
Over aandacht voor geleedpotigen heeft de afdeling de laatste tijd niet te klagen. In 2001 mochten we een aankomende spinnenspecialist verwelkomen in de persoon van André Wolfs. Jan Verbraaken heeft met zijn libellenstudie een wetenschappelijk stadium bereikt en zal in Natuurpark Lelystad komend jaar op verzoek van de Vlinderstichting met een grondige inventarisatie beginnen. Helaas hebben de MKZ-maatregelen ons in het voorjaar zo veel beperkingen opgelegd dat de gezamenlijke inventarisatieprojecten behoorlijk zijn verstoord. We konden maandenlang de malaiseval aan de Knardijk niet bereiken zodat er een grote leemte is gevallen in de waarnemingen.

Na de crisis zijn we onafhankelijk van elkaar nog wel actief geweest. Ik heb voornamelijk de kleinere natuurgebiedjes rond Lelystad bezocht op zonnige dagen. Daar trof ik ondermeer het volgende:
Aan de zuidzijde van de Burchtkamp is in het voorgaande najaar weer een grote hoeveelheid zand gewonnen waardoor zich nu een waterpartij uitstrekt over de hele lengte van dit verdiepte gedeelte. Gelukkig zijn de oudere hellingen niet verstoord en vestigen zich nog elk jaar allerlei nieuwe zandbijtjes, wegwespen en graafwespen. Om deze processen te kunnen inventariseren zonder het terrein te vaak te hoeven betreden zou de nieuwe malaiseval van de werkgroep goede diensten kunnen doen. Drie jaar geleden was het gebied echt nog te kaal om er met een vangtent te werken, maar nu hebben de schietwilgen, braam en grassen genoeg hoogte bereikt om een dergelijke val aan het zicht van de beestjes te onttrekken. Er heeft zich op het pad rond de grote schietwilg al een vrij grote kolonie van Crabro scutellatus gevormd, de minder algemene van de twee zeefwespen in Flevoland. Minder gunstig was het totaal afmaaien van de schietwilgzaailingen langs de oevers van de westelijke plas. In dit stadium zou een speciale bladwesp te verwachten zijn geweest die aan de wortels van de schietwilgjes knaagt. Die vormen dan weer een prooi voor een uiterst zeldzame halfgoudwesp (Cleptes semicyaneus). Er bestaat nog een kleine kans dat de goudwesp komend jaar in het uitgedunde restant van de wilgenopslag gevonden wordt.
Op 21 mei vond ik op fluitekruid in Bergbosje een grote rode kever met staalblauwe dwarsbanden. Dit dier staat bekend als de bijenwolf (Trichodes apiarius), een wat verwarrende naam vanwege het voorkomen van een gelijknamige graafwesp. De bijenwolf-kever leeft als larve in nesten van grote, in de grond nestelende zandbijen. De bijenwolf-wesp (Philanthus triangulum) vinden we in zandvlakten rond Lelystad, waar de wijfjes honingbijen uit de lucht plukken om er vervolgens hun bodemnesten mee te bevoorraden. De al even zeldzame zwartkop-vuurkevers (Pyrochroa coccinea) die hier een aantal jaren geleden werden gevonden kom ik nergens meer tegen.
In Lelystad-Haven werd door iemand buiten de vereniging in de tuin een mannelijke neushoornkever (Oryctes nasicornis) gevonden. In deze tuin had lange tijd een kist met oud hout gestaan waarin de keverlarve zich blijkbaar heeft kunnen ontwikkelen. Larven van neushoornkevers leven vele jaren in vermolmd hout of plantenafval alvorens ze zich verpoppen. Het is niet geheel duidelijk of dit enkele dier is aangevoerd of dat de soort zich al echt in Oostelijk-Flevoland heeft gevestigd.
In 't Zand A-72 vond ik half augustus op guldenroede een verzameling hommeltjes waarvan er een toch wel érg grijs was. Gewoonlijk heeft dat te maken met slijtage, maar het bleek een mannetje van de zandhommel (Bombus veteranus) te zijn. Deze soort was vóór 1950 door het hele land verspreid, maar is sinds 1980 eigenlijk nog maar van enkele plaatsen in Nederland bekend. Komende zomer is het dus de moeite waard om eens te letten op grijze hommels met een zwarte dwarsband tussen de vleugels.