gepubliceerd in Natuuronderzoek, nieuwsbrief van de Amsterdamse Waterleidingduinen, oktober 2004.



De Gewone slobkousbij (Macropis europaea) voor het eerst waargenomen in de AWD

In de nieuwe bijenatlas van de AWD is onder andere de Gewone slobkousbij als nieuwe soort opgenomen. Hoewel deze opmerkelijke wilde bijensoort vermoedelijk al veel langer in het gebied aanwezig moet zijn geweest werd ze in augustus 2003 pas voor het eerst ontdekt.


De vrouwtjes van de Gewone slobkousbij kunnen met hun hagelwit behaarde achterschenen en brede dofzwarte voetleedjes met bijna geen andere Nederlandse soort verward worden. Hun gemiddelde lengte ligt rond de 9 mm., vergelijkbaar met werksters van de honingbij en dus niet moeilijk om in het veld op te merken.
De Nederlandse naam lijkt erg toepasselijk, al zal de oorspronkelijke betekenis ervan vooral de jeugd ontgaan. In de tijd dat deze soort haar naam kreeg waren de decoratieve witte slobkousen die als een soort kraag over zwarte schoenen werden gedragen blijkbaar nog in de mode.
Het mannetje heeft een grotendeels geel gezicht. Daarbij moeten we niet denken aan gele beharing, maar aan een echt heldergeel gekleurd pantser. Dat vinden we maar bij enkele soorten in de duinen; maskerbijtjes (Hylaeus) en de Andoornbij (Anthophora furcata). Met de minuscule en bijna onbehaarde maskerbijen zullen we Macropis-mannetjes niet snel verwarren, en mannetjes van de Andoornbij hebben niet het kale, grof gepunte achterlijf met helder witte haarbandjes of de opvallend dikke achterpoten die de Gewone slobkousbij kenmerken.
Gewone slobkousbij (Macropis europaea) vrouwtje


Een goed veldkenmerk voor de vrouwtjes is hun bloembezoek: De vrouwtjes treffen we voornamelijk aan in vochtige vegetaties op Grote wederik (Lysimachia vulgaris) en in tuinen ook wel op Puntwederik (Lysimachia punctata). Daarop verzamelen ze stuifmeel voor het broed en tevens een olie-achtige substantie. Zowel vrouwtjes als mannetjes kunnen ook op een aantal andere oeverplanten worden aangetroffen voor het verzamelen van nectar. Anders dan wat we van honingbijen gewend zijn wordt hiervan geen honing gemaakt maar gebruiken de dieren dit volledig voor de eigen energiebehoefte. Er hoeft namelijk geen wintervoorraad te worden aangelegd voor een werksterskaste.

De nesten worden net als bij de meeste andere inheemse bijen door slechts één vrouwtje gegraven. Ze bestaan uit een ± 10 cm diepe hoofdschacht met een aantal zijgangen die elk eindigen in een nestkamer. Het verzamelde stuifmeel wordt met plantaardige olie vermengd en tot een keurig bolletje geneed. Nadat hierop een ei gelegd is wordt de nestkamer afgesloten en begint het vrouwtje met een volgende kamer. De nestkamer is bekleed en afgesloten met een wasachtige, waterafstotende substantie die misschien iets te maken heeft met de verzamelde olie, maar mogelijk door de dieren zelf wordt afgescheiden. In veel gevallen moet het nest dan ook in vrij natte en venige grond worden aangelegd, dicht bij de waardplanten. De ingang wordt liefst verstopt onder overhangende begroeiing waardoor inregenen beperkt wordt en ontdekking door predatoren tot een minimum beperkt blijft. In volstrekte duisternis eten de larven de stuifmeelvoorraad op, verpoppen zich en wachten tot de volgende zomer om uit te komen.
Zoals de meeste wilde bijensoorten kent ook de Gewone slobkousbij haar eigen nestparasiet. De Bonte viltbij (Epeoloides coecutiens) is een zwart/rood gekleurde, witgevlekte koekoeksbij die haar eieren in een onbewaakt ogenblik op de voedselvoorraad van haar gastheer legt. Ze is aanzienlijk zeldzamer dan de slobkousbij, die op zichzelf al nagenoeg ontbreekt in het westen van het land. Volgens gegevens van Stichting EIS zijn uit de negentiende eeuw eigenlijk geen waarnemingen van de Gewone slobkousbij uit de Nederlandse kuststrook bekend, hoewel destijds het grondwaterniveau in veel duingebieden veel hoger moet zijn geweest en geschikte drassige vegetaties talrijker. Een blik op de verspreidingskaart van de Grote wederik in Heukels’ Interactieve Flora leert dat deze plant weliswaar in de zeekleigebieden wat minder talrijk is, maar ook nu nog vrij goed vertegenwoordigd is aan de kust.

Voor het vinden van de Gewone slobkousbij kunnen we ons het best concentreren op standplaatsen van wederik tussen eind juni en half augustus. Sinds ik in 2000 met het onderzoek voor de AWD bijenatlas begon heb ik tijdens mijn fietstochten door het gebied goed naar deze plant uitgekeken maar nooit echt vitale bestanden gevonden. Pas in augustus 2003 stuitte ik onverwacht op een overweldigende hoeveelheid Grote wederik in een vochtig deel van het Haasveld. Het betreffende terrein was voorzien van een aantal diepe greppels die ondanks de droogte rond die tijd zeer vochtige oevers hadden. Het gebiedje toonde zich temidden van het overigens haast woestijnachtige duinlandschap als een groene oase met rijk bloeiende oeverplanten en het gonsde er van de zweefvliegen en hommels. Diverse vrouwtjes van de Gewone slobkousbij waren actief op de aanwezige bosjes wederik en enkele mannetjes vlogen nerveus langs de planten heen en weer.
Waarschijnlijk is deze populatie al vrij oud en zijn de omstandigheden gunstig voor de dieren maar jaarlijkse controle van deze toch wel unieke vindplaats kan zeker geen kwaad. Volgens Westrich (1999) is maaien een van de belangrijkste oorzaken van de achteruitgang van de soort in Duitsland, dus bescherming van de waardplanten heeft in de AWD wat dat betreft een hoge prioriteit. Echter, het is minstens zo zinvol om naar andere populaties te zoeken in het waterrijke deel van de AWD. Wellicht blijkt de Slobkousbij even als de Harkwesp op veel meer plaatsen in de Waterleidingduinen voor te komen dan aanvankelijk werd gedacht.