DE GRAAFWESP PASSALOECUS BREVILABRIS NIEUW VOOR DE NEDERLANDSE FAUNA (HYMENOPTERA: CRABRONIDAE)

Jeroen de Rond

Graafwespen genieten door hun vormenrijkdom en opvallende gedrag een redelijke populariteit en hun verspreiding in Nederland is dan ook relatief goed bekend. De Pemphredoninae vormen hierop echter een uitzondering. De hiertoe behorende soorten zijn overwegend zwart gekleurd, moeilijk van elkaar te onderscheiden en leiden een tamelijk verborgen leven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in 2002 nog een nieuwe soort voor ons land gevonden kon worden: Passaloecus brevilabris. Ook in de ons omringende landen is dit een vrij zeldzame verschijning.


INLEIDING

Begin juli besloot ik met mijn gezin, op doorreis naar het Eiffelland, een tussenstop te maken in de omgeving van Nationaal Park de Meinweg, waar een maand tevoren de zomerbijeenkomst van de Nederlandse Entomologische Vereniging had plaatsgevonden. Aangezien we niet in staat waren geweest aan de bijeenkomst deel te nemen bood dit de gelegenheid om het landschap van de Meinweg alsnog te leren kennen. Daarbij zouden eventuele waarnemingen van zomersoorten, die begin juni nog niet actief waren, een bruikbare aanvulling kunnen vormen op het faunistisch totaalbeeld van de streek.
De keuze voor ons verblijf viel op minicamping 't Haldert, gelegen in het door eiken- en dennenbossen omsloten gelijknamige agrarisch gebied ten noorden van Herkenbosch. Dit bleek een gouden greep te zijn geweest want het eerste en tot nu toe enige Nederlandse exemplaar van Passaloecus brevilabrisWolf, 1958 (fig. 1, 2), werd op 7 juli 2002 aan een bosrand tegenover deze camping gevonden (Amersfoortcoördinaten: 202-353) (fig. 3). De vegetatie van de droge, enigszins leemhoudende zandgrond in deze streek toont grote overeenkomst met die van onder meer de Veluwe en het Dwingelder Veld. Op de meeste hogere zandgronden valt naar verhouding echter veel neerslag, terwijl de streek tussen Roermond en Sittard tot de gebieden behoort met het laagste aantal millimeters regen per jaar (Heijboer & Nellestijn 2002). Het voorkomen van P. brevilabris op die plaats zou daar wellicht verband mee kunnen houden.

Passaloecus brevilabris, foto vrouwtje

Figuur 1: Passaloecus brevilabris, vrouwtje. Oostenrijk (Lienz, Obertirol, linker Drevufer), 10.VIII.1969, leg. Kofler, col. RMNH. Foto Erik van Nieukerken (Naturalis).
Figure 1: Passaloecus brevilabris, female. Austria (Lienz, Obertirol, linker Drevufer), 10.VIII.1969, leg. Kofler, col. RMNH. Photo Erik van Nieukerken (Naturalis).


ECOLOGIE

De vondst werd gedaan aan de westelijke rand van een bos dat voornamelijk was samengesteld uit hoog doorgeschoten grove den met wat ruwe berk en zomereik. Afgezien van braam en de ook hier zeer expansieve exoot bezemkruiskruid was er aan de bosrand voor angeldragers op het oog niet veel van enige voedingswaarde te vinden. Het bos grensde hier aan een maisveld en een bedrijventerrein. Desondanks liepen in de vooravond nog talloze angeldragende vliesvleugeligen op de zonbeschenen dennenstammen rond. Het waren voornamelijk zeer bewegelijke vrouwtjes van wespen als Nitela spinolae Latreille, 1809, Agenioideus cinctellus (Spinola, 1808) en Dipogon subintermedius (Magretti, 1886) die zich zoekend over de stammen voortbewogen.
Deze wespen zouden zich volgens de literatuur oriënteren op stofluizen en spinnen. Van P. brevilabris is niet veel bekend, maar gezien de uiterlijke gelijkenis met een beter bekende soort als Passaloecus gracilis (Curtis, 1834) zou ook haar menu kunnen bestaan uit bladluizen. Prooidieren worden door Passaloecus-vrouwtjes gewoonlijk in een holle stengel of boorgang ondergebracht in afzonderlijke cellen. De ingang wordt door veel soorten uiteindelijk afgesloten met een propje hars, desnoods vermengd met zand. Dit lijkt voor P. brevilabris in zand- en harsrijke landschappen eveneens voor de hand te liggen, al is dat voor zover bekend nog nooit beschreven.
Helaas kwam de identiteit van dit Limburgse vrouwtje pas bij thuiskomst, zo’n twee weken later, aan het licht, zodat bestudering van het gedrag niet meer mogelijk was. Het enige dat ik me nog kon herinneren was het feit dat haar verschijning kort en snel was. Het vrouwtje verschilde in haar pendelend vlieggedrag en razendsnelle verplaatsing over de dennenschors niet noemenswaardig van Nitela, Diodontus of andere Passaloecus-soorten. De vangst voltrok zich uiteindelijk met een zuig-exhauster in een welgemikte verrassingsaanval.


vooraanzicht kop van een vrouwtje

Figuur 2: Passaloecus brevilabris, kop van een vrouwtje in vooraanzicht. Tekening Jeroen de Rond.
Figure 2: Passaloecus brevilabris, head of a female in frontal view. Drawing Jeroen de Rond.


UITERLIJKE KENMERKEN

Zoals de wetenschappelijke naam reeds doet vermoeden is het ’tongetje’ (eigenlijk bovenlip of labrum) van P. brevilabris vrij kort en afgerond. De soort mist het extra lobje dat verwante soorten als P. gracilis en Passaloecus turionum Dahlbom 1845 aan de top hebben. Maar aangezien dit kenmerk bij Passaloecus borealis Dahlbom, 1845 ook niet zo sterk ontwikkeld is, verdient het de aanbeveling hier niet te veel nadruk op te leggen.
Vrouwtjes van P. brevilabris zijn vrij eenvoudig van de overige Nederlandse soorten te onderscheiden door hun geheel zilverwit behaarde en trapeziumvormig uitgetrokken kopschild (clypeus). Gewoonlijk hebben alleen de mannetjes van Passaloecus een dergelijk dichtbehaard kopschild, maar bij vrouwtjes van Passaloecus corniger Shuckard, 1837 is de onderzijde van het aangezicht eveneens bedekt met een dichte zilverwitte beharing. Hun kopschild is echter aan de voorrand diep halfrond uitgesneden.
Voor P. brevilabris gelden overigens vrijwel dezelfde kenmerken als genoemd bij P. gracilis in de tabel van Wim Klein (1997, 1999). Mannetjes hebben een kenmerkende geelgekleurde kiel over de onderzijde van hun antenneschaft.


EUROPESE VERSPREIDING

De verspreiding van P. brevilabris over Europa geeft niet direct aanleiding om van een broeikasmigrant te spreken. In Duitsland is de soort bekend uit een redelijk groot aantal deelstaten (Ohl 2001), waaronder zowel de meest zuidelijke als de meest noordelijke. Ze lijkt te ontbreken in Denemarken maar is wél weer gevonden in een aantal zuidelijke provincies van Zweden en Finland (Lomholdt 1984). De Beaumont (1964) vermeldt P. brevilabris – overigens foutief zichzelf als auteur van de soort aanmerkend – van het Plateau en de Rhônevallei.


DANKWOORD

Ich möchte Dr. Christian Schmid-Egger herzlich danken für die Kontrolle und Bestätigung meiner Bestimmung.


LITERATUUR

Beaumont, J. de 1964. Hymenoptera, Sphecidae. – Fauna Insecta Helvetica 3: 1-169.
Heijboer, D. & J. Nellestijn 2002. Klimaatatlas van Nederland, de normaalperiode 1971-2000. – Koninklijk Nederlands Meteorologisch Insitituut, De Bilt.
Klein, W. 1997. De graafwespen van de Benelux. – Jeugdbondsuitgeverij, Utrecht.
Klein, W. 1999. De graafwespen van de Benelux - supplement – Jeugdbondsuitgeverij, Utrecht.
Lomholdt, O. 1984. The Sphecidae (Hymenoptera) of Fennoscandia and Denmark. – Fauna Entomologica Scandinavica 4: 1-452.
Ohl, M. 2001. Sphecidae. – Entomologische Nachrichten und Berichte 4, Beiheft 7: 137-143. [Entomofauna Germanica 4]
Richards, O.W. 1980. Scolioidea, Vespoidea and Sphecoidea. – Handbooks for the Identification of British Insects 6, 3(b): 1-118.

Passaloecus brevilabris, kaartje vindplaats in NL

Figuur 3: Vindplaats van Passaloecus brevilabris in Nederland
Figure 3: Site where Passaloecus brevilabris was found in The Netherlands



SUMMARY:

The diggerwasp Passaloecus brevilabris new to the Dutch fauna (Hymenoptera: Crabronidae)
In the summer of 2002 a new diggerwasp for The Netherlands was found by the author, north of Herkenbosch (prvince of Limburg) at the edge of a forest consisting mainly of pine Pinus sylvestris and oak Quercus robur. Females of Passaloecus brevilabris can be recognised by their truncated and fully haired clypeus in combination with a short labrum that lacks the small distal lobe which is present in most related species. The species is known from several European countries, ranging from Scandinavia to France, though only in small numbers.


J. de Rond
Beukenhof 96
8212 EB Lelystad
bio@jeroenderond.demon.nl