gepubliceerd in Lokvogeltje, afdelingsblad KNNV regio Lelystad, april 1990


Hommels in Flevoland

Jeroen de Rond



Wie zomers in de tuin op de bloemen zoekt naar hommels zal niet direct vermoeden dat er in onze polder minstens 13 soorten voorkomen. In het stedelijke gebied van Lelystad bestaat de hommelfauna naar schatting voor 90% uit werksters van de Akkerhommel; een beest met een roodbruine rug en wat zwart op het achterlijf. Deze huismus onder de hommels komt in twee rassen voor: het ene met gele haren op de borst en het andere met een volledig zwarte onderkant. Beide rassen komen hier voor en beiden vertonen soms een grote zwarte driehoek op de rug van het borststuk. Er is één enkele soort die we hier met de Akkerhommel zouden kunnen verwarren vanwege het roodbruin op de rug en dat is de veel zeldzamere Boomhommel, die een helder witte achterlijfspunt heeft i.p.v. een geel/bruine.

Op de Houtribhoogte vond ik ooit de Zandhommel op Slangekruid. Deze muisgrijs behaarde hommel lijkt enigszins op een gebleekt exemplaar van de Akkerhommels met zwarte vlek op de rug. De beharing van de laatstgenoemde dieren kan door inwerking van het zonlicht namelijk ook grijsbruin worden. Dergelijke exemplaren, die het etiket "afgevlogen" dragen, zijn altijd herkenbaar aan de gelige, gerafelde vleugels.
In grote lijnen hebben we daarnaast nog te maken met enkele geel/wit gebandeerde soorten en twee hommels met rode achterlijfspunt. In het voorjaar zijn de koninginnen van deze laatste twee duidelijk van elkaar te onderscheiden: de Steenhommel is behalve de achterlijfspunt helemaal zwart en de Weidehommel heeft twee extra gele banden. De werksters en de mannetjes die later in het jaar verschijnen zijn minder makkelijk uit elkaar te houden.
Vervolgens de hommels zonder rood of bruin. Het beste kunnen de banden in het midden van de hommel vergeleken worden, omdat de nekband nogal eens varieert en soms helemaal verdrongen is door het zwart. Er zijn in ons gebied twee soorten met een dubbele gele band (d.w.z. één op de achterkant van het borststuk en één op de voorkant van het achterlijf). Als eerste is er de vrij forse Tuinhommel, met haar zeer lange kop. Zoals haar naam al aangeeft is ze 's zomers veelvuldig in tuinen te vinden. Daarnaast komt op enkele plekjes in Flevoland (o.a. A 72/73) in het voorjaar de andere soort met dubbele gele band voor op wilg. De kleine, snel vliegende koninginnetjes van deze soort, de Veenhommel, hebben juist een kogelrond kopje.
In maart, bij de bloeiende wilgekatjes zijn twee aardhommelsoorten druk in de weer. Ze zijn te herkennen aan een enkele gele band op het voorste deel van het achterlijf. De Kleine aardhommel is een tikje helderder geel gebandeerd dan de Gewone aardhommel.

tekening 7 hommelsoorten

Nu zijn niet alle hommels even nijvere diertjes. Er zijn er enkele op het wat onsympathieke pad van het nestparasitisme geraakt. Deze zogenaamde koekoekshommels zijn te herkennen aan hun dunne beharing, waardoor ze glanzender lijken dan de echte hommels, en ze hebben geen afgeplatte achterpoot met haarkammetjes. Dit is uiteraard te wijten aan het feit dat ze geen stuifmeel hoeven te verzamelen (en dus ook geen werksterkaste kennen). Een koekoekshommel is meestal vermomd als haar gastheersoort. Ze bezit een soort zesde zintuig om het nest te vinden van de hommel waar ze zich op gespecialiseerd heeft; ten eerste om de opening tussen het gras te vinden, maar niet in de laatste plaats vanwege het feit dat ze sterk op elkaar lijkende soorten uit elkaar weet te houden.
Tussen de twee aardhommelsoorten in het vroege voorjaar is nauwelijks onderscheid te maken en ze vliegen tegelijkertijd in hetzelfde gebied. Toch weet de Tweekleurige koekoekshommel precies dat hij bij de nesten van de Kleine aardhommel moet zijn en niet van de Gewone aardhommel. In het veld heb ik ook nooit kunnen waarnemen dat een Koekoekshommel een aardhommel achtervolgde om bij het nest te komen. Wie zelf eens een keer naar hommels wil kijken in het voorjaar kan het beste zoeken op de Knardijk in de buurt van de Buizerdweg. Daar zijn tot nu toe elk jaar een aantal Tweekleurige koekoekshommels te vinden geweest onder de eerste bloeiende wilgebomen. Ze zijn heel eenvoudig te herkennen aan het feit dat ze geen gele band hebben in het midden van hun lijf. Het geel dat ze bezitten, is onscherp geconcentreerd rond de kop en tegen het wit van de achterlijfspunt aan.
Wat later in het voorjaar is in alle parken en tuinen een kleinere koekoekshommel te vinden die daar voornamelijk zoekt naar nesten van de eveneens kleine Weidehommel. Het is de Vierkleurige koekoekshommel, die wel iets lijkt op de Tweekleurige, maar in een wat slordige poging om haar gastheer te imiteren ook wat rozerood behaard is op het laatste achterlijfssegment.

Tot slot zijn twee soorten te noemen die in Nederland tamelijk gewoon zijn, maar bij ons in de omgeving Lelystad alleen met veel geluk te vinden zijn. De één parasiteert bij de Akkerhommel en wordt Gewone koekoekshommel genoemd. Ze is te herkennen aan een boonvormig toefje goudgele haren achteraan op het overigens volledig zwart behaarde borststuk. De voor- en achterkant van de dieren zijn verder weer licht gekleurd. De andere soort, de Grote koekoekshommel, die als nestparasiet behoort bij onze Gewone aardhommel, heb ik merkwaardig genoeg maar één keer gevonden en wel in de Wilde-plantentuin van het Stadspark. Deze soort is alleen te onderscheiden van de Tweekleurige door de lengte van het derde antennelid en wat sterker geel op het achterlijf.

In de zomer zorgt het verschijnen van werksters en mannetjes voor een overvloed van vormen en kleurencombinaties. Voor de vastberaden natuurliefhebber die zich er toch aan zou willen wagen zijn de nieuwe Elseviers insectengids en de NJN-Hommeltabel aan te raden.