gepubliceerd in Lokvogeltje, kwartaalblad van de KNNV-afdeling lelystad – juli 1999


Inheemse bijen in kaart gebracht

Jeroen de Rond



Het agressieve imago dat aan bijen kleeft is gevormd door de honingbij, maar uitgerekend deze soort is door de mens geïmporteerd in onze streken. Wilde bijen zijn op meerdere fronten niet met de honingbij te vergelijken: ze gedragen zich volstrekt anders en kunnen daarbij ook de meest schitterende vormen en kleuren hebben. Wie in Zuid-Limburg bijvoorbeeld een reusachtige zwarte gedaante met blauw-paars glanzende vleugels een boorgat van een oude paal in ziet kruipen, heeft te doen met de blauwzwarte houtbij (Xylocopa violacea), een subtropisch aandoende maar wel degelijk inheemse soort.
De geelgestreepte kogeltjes die rond wollige planten in onze tuinen heen en weer schieten zijn in veel gevallen geen wespen of zweefvliegen maar exemplaren van de grote wolbij (Anthidium manicatum); al duizenden jaren woonachtig in het gematigde laagland van West Europa. Ook de maskerbijen (Hylaeus); 4 tot 6 mm. lang en glanzend zwart met helder gele gezichtstekening, horen thuis in ons landschap, maar zelfs veel van de fanatiekste natuurliefhebbers herkennen ze niet als bijen.

Afgezien van hommels leven de meeste inheemse bijen niet in sociaal verband. Elk vrouwtje maakt individueel een aantal nestjes, legt hierin een voedselvoorraad aan en legt er een ei op. Het is gewoonlijk wél zo dat vele vrouwtjes in elkaars nabijheid nestelen, maar kolonievorming hoeft op zich geen sociale oorsprong te hebben. Sommige delen van een landschap lenen zich nu eenmaal beter voor nestbouw dan andere. Droge, hellende oppervlakken die bij voorkeur overkapt worden door afhangende planten of grondlagen zijn gewoonlijk meer in trek dan plaatsen die nat kunnen worden of waar de kans op beroering groot is. Er is wel een primitieve vorm van sociaal nestgedrag waar te nemen bij enkele groefbijen (Halictus en Lasioglossum). Meerdere vrouwtjes maken dan gebruik van een gemeenschappelijke nestopening, maar graven toch weer afzonderlijk hun eigen zijgangen.
De plaats die voor de nestjes wordt uitgekozen verschilt per soort: De ene graaft een nestgang van meer dan een halve meter diep in de grond, de ander metselt het nest tegen muren, weer anderen nestelen in holle stengels, in boorgaten of zelfs in lege slakkenhuizen. In elk nestje wordt een voorraad stuifmeel aangebracht, meestal gekneed tot een keurig bolletje, waarop vervolgens één eitje wordt gelegd. Het nestje wordt van binnen vaak bekleed met plantenharen, bloemblaadjes of een soort schimmelwerend cellofaan dat door o.a. zijdebijen (Colletes) zelf wordt afgescheiden. Uiteindelijk wordt het nest weer afgedicht in de hoop dat koekoeksbijen niet zullen inbreken, en een jaar later kruipen de jonge bijen omstreeks dezelfde datum weer naar buiten.
Een aantal bijen kent een tweede generatie. De zandbij Andrena minutula bij voorbeeld, een soort van nog geen 6 millimeter die ook in Flevoland op o.a. klein hoefblad kan worden gevonden, is een aantal maanden later weer op de vleugels, maar heeft dan een lichter behaarde kop. Deze zgn. zomergeneratie produceert het broed dat moet overwinteren.

Wespen snoepen als volwassen dier veelvuldig van nectar, maar hun larven worden gevoed met dierlijke eiwitten. Bijen houden er daarentegen een consequent vegetarische levensstijl op na. Daarbij zijn veel soorten al sedert miljoenen jaren gespecialiseerd op specifieke planten of ecosystemen. Er wordt wel gesteld dat de evolutie van planten gelijk op ging met die van de bijen, en dat ze elkaars ontwikkeling en veelvormigheid wederzijds hebben beïnvloed. In bepaalde karakteristieke landschappen kan men dan ook steeds dezelfde soorten bijen aantreffen. Onderzoek heeft uitgewezen dat veel soorten er een hiërarchie van voorkeuren op na houden: Als hun meest geliefde plant niet meer beschikbaar is komt er respectievelijk een tweede en een derde keus in aanmerking. Het kan ook zijn dat er meerdere planten van even groot levensbelang zijn: De slobkousbij Macropis europaea haalt bijvoorbeeld het stuifmeel en een soort olie voor het nest uit grote wederik, maar deze plant levert geen nectar. Voor haar eigen voeding is het wijfje dus van andere bloemen afhankelijk. Die kunnen uit economisch oogpunt niet te ver van het nest of de stuifmeelplanten gezocht worden, waarmee de keuze zich meestal beperkt tot soorten uit dezelfde plantengemeenschap. In de praktijk komt dat voor de slobkousbij gewoonlijk neer op kattestaart en kale jonker. Het belang van bescherming van een totale biotoop is voor bijen dus zeer groot.

Organisaties als Natuurmonumenten en de provinciale landschappen konden tot voor kort weinig anders doen dan hun beleid baseren op relatief eenvoudig te inventariseren en te evalueren organismen zoals vogels, planten en vlinders. Van minder opvallende, en vooral minder eenvoudig te determineren diergroepen is nauwelijks genoeg bekend om beleidsmaatregelen op af te stemmen. In juni van dit jaar verscheen gelukkig de lang verwachte verspreidingsatlas van de Nederlandse bijen, waarmee terreinbeheerders een wapen in handen krijgen om maatregelen ten gunste van de microfauna te verdedigen.
Ondanks het feit dat er ruim 15 jaar aan de bijenatlas is gewerkt, wordt dit beschouwd als een voorlopige versie die een aanzet moet geven tot het verkennen van de witte plekken op de kaart. De definitieve atlas zal niet eerder het licht zien dan 2003. Initiatiefnemer was het Nederlandse bureau van het European Invertebrate Survey (EIS), gevestigd in het Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis in Leiden. Deze organisatie houdt zich al enige decennia bezig met het in kaart brengen van de Europese ongewervelden op een vergelijkbare wijze als SOVON en FLORON. Gegevens uit de collecties van alle belangrijke musea zijn voor een groot deel al gecontroleerd en ingevoerd in speciale databestanden waarop allerlei analyses zijn los te laten. Zo zijn de verspreidingskaartjes in de bijenatlas geheel automatisch ingevuld en is zelfs een scheiding aangebracht tussen vondsten van vóór 1950, van 1950 tot 1980 en vondsten vanaf 1980.

Wat voor veldbiologen slechts een vaag vermoeden was geweest, werd door de verspreidingskaartjes ineens duidelijk zichtbaar: Slechts een kwart van het aantal bijensoorten dat vóór 1950 goed vertegenwoordigd was kan op dit moment nog in redelijke aantallen worden gevonden. De medewerkers van het EIS concludeerden dat indien dezelfde normen worden gehanteerd als voor andere diergroepen, minstens driekwart van de ongeveer 340 inheemse soorten bijen op een rode lijst geplaatst zouden moeten worden. Naar aanleiding van dit alarmerende bericht werd op 2 juli j.l. een bijendag georganiseerd in Naturalis. Door middel van een discussie tussen bijenkenners, afgevaardigden van natuurbeschermingsorganisaties, imkerverenigingen en wetenschappelijke instellingen werd getracht antwoorden te vinden op enkele vragen. Het was niet te verwachten dat er meteen een kant en klare oplossing voor het probleem kon worden gevonden, maar het was duidelijk dat alle aanwezigen zich terdege bewust waren van de ernst van de zaak.
Een opmerkelijk aandachtspunt was de aanwezigheid van honingbijen in natuurgebieden. Hoewel het duidelijk is dat honingbijen een zware concurrentiedruk uitoefenen op wilde bijen kan dit nog niet worden onderbouwd met degelijk wetenschappelijk onderzoek. Vanuit de Universiteit van Utrecht wordt actie ondernomen in deze richting. Verder werd geconstateerd dat omstreeks de tijd dat de sterkste afname van bijenpopulaties zich moeten hebben voltrokken, de jaren '60 en '70, het landschap ook ingrijpend veranderde. De zichtbare vervlakking van het platteland ten dienste van de efficiëncy en vooral herverkaveling, werkt ook door tot in de micromilieus.
Niet alleen groeiplaatsen van enkele zeldzame plantensoorten zouden beschermd moeten worden, maar ook nestgelegenheid voor ongewervelden dient door de beherende instanties te worden behouden. Het inzaaien van o.a. bermen met exotische bloemenmengsels is vanuit dit oogpunt dan ook niet de oplossing. De oude agrarische landschappen waarmee Margriet, Cichorei en Korenbloem geassocieerd worden, kenden ook houtwallen, zandwegen, hekpalen, oude vervallen schuurtjes en rieten daken. Het creëren van moerassige oeverzones langs kanalen in Flevoland kan een gunstige invloed op de wilde bijenstand hebben, mits de drogere, hoger gelegen delen van de oevers ook nestgelegenheid bieden. Een recent veldbezoek van Landschapsbeheer Flevoland met de KNNV Insektenwerkgroep bracht aan het licht dat wat voor oeverzwaluwen goed was, ook de insekten diende.
Aangezien onze provincie geen kwetsbare terreinen als hoogvenen, blauwgraslanden of duinvalleien kent, bestaat ook de bijenfauna niet uit bedreigde soorten. Al wat de IJsselmeerpolders bereikte door oversteken van de randmeren was doorgaans elders ook al talrijk. Op een enkele zeldzame passant na zijn de bijen die in Flevoland zijn waargenomen algemeen in heel Nederland. Van teruggang is alleen sprake bij de soorten die zich vestigden in de opgespoten zandterreinen. Deze kale vlakten, die al snel begroeid raken met een pioniersvegetatie en een dankbaar biotoop vormen voor sommige bijen, zijn inmiddels voor een deel in gebruik genomen voor stadsuitbreiding of langzaam overgroeid. Wanneer de vergrassing heeft toegeslagen houden veel bijensoorten het voor gezien. Er zijn maar zeer weinig bijen die zich in de bossen willen ophouden die het volgende stadium in de successie vormen.
Het effect van ontwatering moet ook niet onderschat worden. Alvorens een laaggelegen gebied in gebruik genomen wordt, is drainage vaak noodzakelijk. Het schadelijke effect dat deze ingreep heeft op de plantengroei is voor de bijen ook desastreus. Dergelijke processen hebben zich afgespeeld in o.a. het schitterende zandgebied aan de noordzijde van de Stichtse brug bij Zeewolde, de wijk Meerveld in Almere-Haven en niet te vergeten het Lelystadse project Havendiep-Zuid. Wat te denken van de onvergevelijke verbreding van de Knardijk ter hoogte van de Oostvaardersplassen: Sindsdien is de zwart-rosse zandbij (Andrena clarkella), een bijzondere soort die massaal broedde in de zuidzijde van de dijk, er niet meer teruggekeerd. Als positieve noot moet wel weer worden gewezen op het natuurontwikkelingsproject tussen Torenvalkweg en Lage vaart. Aan de voet van de knardijk is een vochtig zandterrein gecreëerd dat in eerste instantie voor waadvogels bedoeld is, maar zich nu in een stadium van ontwikkeling bevindt dat voor een aantal interessante bijen en graafwespen ronduit ideaal is. Ook ten noorden van de Burchtkamp gaat binnen afzienbare tijd een waar paradijs voor deze bodembewoners ontstaan.

Een beperkt aantal bijensoorten dat zich heeft gespecialiseerd in het koloniseren van uiterwaarden en randen van ooibossen doet het op dit moment vrij goed in de Flevolandse natuurgebieden. Onder andere een kolonie bestaande uit enkele tienduizenden exemplaren van de zandbij Andrena ventralis, bijgenaamd "het roodbuikje" is al vele jaren achtereen gevestigd aan de noordzijde van ‘t Zand A72 temidden van de biodynamische landbouwbedrijven bij Lelystad. Ook de belager van haar stuifmeelvoorraden; de bleekvlek-wespbij (Nomada alboguttata) is elk jaar in groten getale te vinden rond de nestplaatsen.
Dit voorjaar vond ik op die plaats ook voor het eerst nesten van de grijze zandbij (Andrena vaga), een flinke soort die sinds lange tijd niet meer in Lelystad is waargenomen. Ook de goudpoot-zandbij (Andrena chrysosceles) en haar koekoek de roodzwarte dubbeltand (Nomada fabriciana) zijn daar steeds vaker waar te nemen. Ook wat betreft het voorkomen van wilde bijen in parkbossen en particuliere tuinen zijn de vooruitzichten goed. Langs de bosrand van de kanaaloever ten zuiden van het Bergbos is een kolonie zandbijen (Andrena wilkella) gevestigd waarvan de wijfjes voornamelijk op rode klaver en luzerne vliegen. Aangezien de soort nog geen Nederlandse naam is toegewezen kunnen we hier een voorzet geven door haar de klaverzandbij te dopen. Te oordelen naar de aantallen mannetjes die in mei op de bladeren van de esdoorn zaten te zonnen is de kolonie nog vrij omvangrijk, maar met het ecologisch maaibeleid is dit jaar blijkbaar iets fout gegaan. Alle klaver en luzerne is verdwenen op het hoogtepunt van de nestbevoorrading. Volgend jaar is de schade pas te taxeren.

In betrekkelijk nieuwe wijken is in Flevoland al snel een verscheidenheid aan maskerbijen, klokjesbijen, bladsnijderbijen, zandbijen, metselbijen en groefbijen te vinden. Hopelijk is het volledig laten plaveien van de voortuin een trend die geen lang leven beschoren is. Bloemrijke tuinen waarin naast inheemse planten ook wat open zand en oud hout met boorgaten of afgesneden rietbundels voor de bijen beschikbaar zijn zullen jarenlang bezocht worden door deze diertjes, die minstens even nijver zijn als hun tot gecultiveerde familieleden, maar veel vredelievender zijn.