Lokvogeltje, afdelingsblad KNNV regio Lelystad, maart 1985


Zandbijen in het voorjaar

Jeroen de Rond

Voor insectenliefhebbers ligt het veldwerk van november tot maart stil. Afgezien van een enkele wintermug is er buitenshuis niets voor ons te zien. Maar dan, tegen het einde van maart, wanneer het kwik langzaam maar zeker boven de 10 graden uit weet te klimmen, begint er weer van alles te kruipen en te vliegen. Als het zonnetje een paar dagen achtereen heeft geschenen komen de eerste vliegjes en mugjes tevoorschijn en zie je overal de bekende citroenvlinders, dagpauwogen en kleine vossen. Deze drie vlindersoorten hebben de hele winter op deze eerste lentedagen gewacht, ergens op een beschut plekje. Tegelijkertijd vliegen traag over de bodem dikke hommelkoninginnen, die net als deze vlinders als volwassen dier hebben overwinterd. Wie in zijn omgeving een wilg weet te staan, zou eens de tijd moeten nemen om het komen en gaan van insecten gade te slaan als de katjes bloeien.
Het grootste deel van de stamgasten van wilgen bestaat uit honingbijen: de soort die door imkers wordt gehouden. Niet veel mensen weten dat er in ons land nog honderden andere bijesoorten voorkomen die voor de imker van generlei belang zijn. Zelfs imkers zijn daarvan vaak niet op de hoogte. De vroegste wilde bijen die we in ons polderland kunnen aantreffen zijn zandbijen. Ook zij bezoeken de bloeiwijzen van de wilg, gebroederlijk naast hommels, honingbijen en enkele vliegesoorten. Op de gele bloempjes van het Klein hoefblad, die begin april ook overal in onze omgeving te vinden zijn tussen het gras, kun je ze ook wel aantreffen.

Zandbijen, die samen met een andere groep ook wel graafbijtjes genoemd worden, horen echt in onze streken thuis. Honderdduizenden jaren voor de mens de honingbij uit het verre oosten meebracht vlogen ze al rond over onze natte landschappen op zoek naar een droog, wat zanderig plekje, liefst wat hellend, om daarin een nest uit te graven. Omdat de wilde voorjaarsbijen niet in volkeren leven, en dus ook geen warme veilige thuishaven hebben zodra ze uit hun pop zijn gekropen, moeten ze zich tegen de kou kleden. Vooral de vrouwtjes van onze vroegste soorten hebben een echte "pels". Omdat ze eerst op zoek moeten naar een geschikte plaats voor een nest, en niet zoals de werksters van een honingbijenvolk een vast omlijnde taak binnen een strak georganiseerde maatschappij hebben, gedragen ze zich wat "lui".
Als de zon weg is blijven honingbijen vliegen, maar zitten onze zandbijen bewegingloos tussen het dorre gras, en bij regen diep weggekropen tussen alles wat beschutting kan bieden. Bij een schraal zonnetje kun je ze langs de bospaden zien kruipen of op een steen of boomstam zien zonnen. Maar half april, als de temperaturen tegen de 15 graden lopen, en de nestgangen gegraven zijn, beginnen ze zich net zo druk te maken als hun georganiseerde collega's. Je kunt ze dan zien op de wilgekatjes met dikke gele klompen stuifmeel aan de achterpoten, die later in de nestholte tot keurig ronde balletjes worden gekneed. Elk wijfje maakt haar eigen nest, zonder werksters, en vaak opgehouden door vrijpostige toenaderings-pogingen van mannetjes. Zo'n zandbijenest is niet meer dan een horizontaal gangetje van ± 10 cm. met een nestholte van ± 1 cm. doorsnee en keurig gepolijst. Deze ruimte biedt plaats aan één larve; voor een tweede larve wordt een nieuw nest gegraven. Ze zullen pas volgend jaar in maart volwassen zijn.

Met een beetje geluk kun je zo'n zandbij zien graven. Langs dijken en zandhopen zitten soms tientallen gaatjes op enkele centimeters afstand van elkaar. Het is interessant om te zien hoe de zwaarbeladen vrouwtjes hun weg terugvinden naar dat ene gaatje dat zij zelf hadden uitgegraven: eerst zoekende zwevend boven het gebied, dan kruipend over de grond, klauterend over steentjes en grashalmpjes en niet zelden onverwachts gegrepen door één of twee mannetjes, maar na een paar judogrepen zich toch weer los wetend te maken komt ze uiteindelijk toch altijd bij haar nestopening.

Andrena clarkella, vrouwtje en mannetje Wat ik nu heb beschreven is het best te observeren bij de grootste van de twee vroeg verschijnende zandbijen: Andrena clarkella, een niet zeldzame verschijning in Lelystad. De vrouwtjes zijn goed te herkennen aan hun gitzwart en lang behaarde achterlijf, terwijl het borststuk en de achterpoten lang roodbruin behaard zijn. Ze zijn ongeveer net zo groot als honingbijen, maar die zijn over het hele lijf kort geelbruin behaard. De mannetjes zijn veel kleiner en grijsbruin behaard. Ze vliegen aan de lijzijde van bomen of rond de nestopeningen pijlsnel en schijnbaar doelloos heen en weer, net als de mannetjes van alle andere zandbijesoorten die in het voorjaar actief zijn. Zo hebben we de vroege zandbij Andrena praecox (praecox =latijn voor vroegtijdig) met geelbruine vrouwtjes en witbehaarde mannetjes die ongeveer gelijktijdig vliegen met de vorige soort, en iets vaker op Klein hoefblad te vinden zijn. Wat later verschijnt de piepkleine gitzwarte en bijna kale soort Andrena subopaca op Klein hoefblad. De bloei van de paardebloem, een maand later, brengt weer andere soorten boven de grond: de vosrood behaarde vrouwtjes van Andrena fulva, de geelbruin gebandeerde Andrena flavipes en de schitterend gekleurde Andrena haemorrhoa; het borststuk boven rood en onder wit, glanzend zwart achterlijf met fel oranje haren aan de punt.

Wilde bijen zijn alleen al de moeite waard om te bekijken, om maar niet te spreken van hun leefwijze en de manier waarop ze bij hun omgeving aansluiten (b.v. bestuiving). Misschien, als meer mensen de tijd zouden nemen deze onopvallende dieren te observeren, zouden we wat meer over hun deels nog onbekende levensloop te weten komen.